Top

News

Van 13 juli tot 2 september: Renault 120 Years27/06/2018

Renault wordt dit jaar 120 en kan terugblikken op een geschiedenis die nauw verweven is met die van het twintigste-eeuwse Frankrijk, de Eerste Wereldoorlog, de industrialisering van de autosector, de volksbewegingen, de evolutie van de Franse levenswijze en mobiliteit, topprestaties in de autosport, enz. Het merk heeft bijgedragen aan de emancipatie van een heel land en zijn geschiedenis vertelt eigenlijk ook een beetje de onze.Aan de hand van een vijftigtal auto’s, die de hele zomer lang worden tentoongesteld in Autoworld, wordt de bezoeker ondergedompeld in een tijdperk dat hij kent, of dat hij graag had willen delen met andere generaties.En om hem daarbij te helpen, hebben we drie onderwerpen toegevoegd aan onze audiogidsen: de merkgeschiedenis, de geschiedenis van een model en de geschiedenis van Renault in de autosport.

Renault heeft drie levens gehad. Dat van zijn oprichter Louis Renault, dat van de nationale regie na de oorlog en dat van Renault SA zoals we de onderneming vandaag nog steeds kennen. Elke fase werd gekenmerkt door een belangrijke gebeurtenis die de constructeur heeft verplicht om zich aan te passen aan veranderende behoeften en nieuwe technologieën, en vooral om te anticiperen.  

Louis Renault – de beginjaren
In 1898 bouwde Louis Renault zijn eerste wagen voor zijn persoonlijke verplaatsingen – de Type A – in een werkplaats achter het huis van zijn ouders. De kleine eencilinderwagen met De Dion-Bouton-motor kon schermen met enkele opmerkelijke eigenschappen voor die tijd, waaronder een buizenchassis, een stuur, een drieversnellingsbak en een transmissie met cardanas. Van een fietsketting was geen sprake meer. Onder nieuwsgierige en bewonderende blikken reed de auto de befaamde rue Lepic aan Montmartre omhoog, wat Louis Renault op slag heel wat bestellingen en een leven als autofabrikant opleverde. Zo begon het avontuur van Renault.De onderneming Renault Frères werd opgericht door Louis, Marcel (die in 1903 het leven liet in de beruchte wedstrijd Parijs-Madrid) en Fernand. Ze werd gevestigd in Billancourt, in de buitenwijken van Parijs.De eerste auto’s van Renault waren luxewagens, gebouwd volgens de wensen van zeer welgestelde klanten.

Tussen 1905 en 1908, tijdens de ‘Belle Époque’, ontdekte Renault de taximarkt. Het merk veroverde de Parijse taximarkt en perfectioneerde zijn befaamde AG1, ook Renault-taxi of Taxi de la Marne genaamd. De taxi’s stonden bekend als erg solide, economische en performante modellen. Al snel steeg de productie van 500 tot 1.500 taxi’s per jaar. Dat zette Renault aan het denken over zijn productiemethoden voor het model. Louis Renault begon zich af te vragen of de Amerikaanse productietechnieken niet meer geschikt waren. Hij vertrok daarom naar Amerika, waar hij de technologie van de productieband bestudeerde, maar besloot dat Frankrijk hier nog niet aan toe was.  Bedrijfsvoertuigen, bestemd voor de ondernemingen van zijn klanten, werden een andere belangrijke markt voor Renault. In het midden van de jaren twintig besloot hij economische wagens te gaan bouwen voor een volkser publiek. Hij stortte zich op de serieproductie en bouwde daarvoor een nieuwe fabriek op l’Île Seguin.Vanaf dat ogenblik werd Renault een erg veelzijdige constructeur met oplossingen voor alle klantengroepen.Tijdens de jaren dertig zocht de onderneming oplossingen om de crisis het hoofd te bieden en de juiste auto op het juiste moment aan het juiste publiek aan te bieden. Een van die oplossingen was de Juvaquatre, die dankzij zijn zelfdragende koetswerk lichter en dus minder duur was.

De oorlog – de breuk – De nationale regie van de Renault-fabrieken
De oorlog bracht een breuk met zich mee. En die was pijnlijk: de Renault-fabrieken werden bezet, Louis Renault overleed aan het einde van de oorlog nadat hij werd beschuldigd van collaboratie en de fabriek werd opgevorderd en gerecupereerd door de Franse regering. Zo werd ze de ‘Régie Nationale des Usines Renault’. Nochtans bleven de ingenieurs en de technici van het verzet voortwerken aan hun idee van een auto voor het volk, een erg goedkope wagen. Dat werd een erg kleine auto met een al even kleine motor (op dat ogenblik de kleinste motor uit de geschiedenis van Renault), die achteraan werd geplaatst aangezien dat goedkoper was. De 4CV, die in oktober 1946 werd voorgesteld en de bijnaam ‘boterkluit’ kreeg door de wat gelige kleur van de eerste modellen, werd het symbool van de eerste betaalde vakanties.
De tweede president van de Régie Renault, Pierre Dreyfus, wilde het ontwerp van de auto wijzigen en met de maatschappij mee laten evolueren. Hij wilde een veelzijdige auto, die zowel in de stad als op het platteland kon worden gebruikt, door mannen en vrouwen, en voor werk en vrije tijd. Met dat alles in het achterhoofd ontwikkelde Renault de eerste zogeheten ‘volumewagen’. De eerste uit het rijtje was de Renault 4 (1961), die zich onderscheidde door zijn achterklep en die het mogelijk maakte om de achterbank te verwijderen om meer plaats vrij te maken. 
De Renault 16 kwam op de markt in de tijd van de babyboom: hij was moduleerbaar en paste zich aan de groeiende gezinnen aan.In 1972 lanceerde Renault de R5, om het hoofd te bieden aan de oliecrisis. Deze kleine en zuinige stadswagen verbruikte slechts 4 l/100 km maar was ook een van de eerste auto’s die zich expliciet tot vrouwen en jongeren richtte met rondere vormen die bij deze doelgroep in de smaak moest vallen.
In de jaren tachtig wierp de Renault Espace zich op als een fundamenteel antwoord op de evoluties van de maatschappij en het gezin. Hij bracht het salon als het ware naar de auto: de zetels waren moduleerbaar en een autoreis werd een heel nieuwe belevenis. In 1992 knoopte de Twingo opnieuw aan bij de allerkleinste auto’s en twintig jaar later, in 2012, trad Renault met de Zoé toe tot het tijdperk van de zuiver elektrische auto.

Het lijdt geen twijfel: van bij zijn beginjaren heeft Renault zich voortdurend aangepast aan de nieuwe levenswijze van de Fransen, om hun leven te vereenvoudigen.

Competitie op hoog niveau en sport voor iedereen
Van de Type K, de eerste Renault die een autorace won (Parijs-Wenen in 1902) tot de F1-bolides: Renault is altijd een belangrijkste speler geweest op het hoogste niveau van de autosport. Maar ook in de lagere echelons was Renault aanwezig, met onder meer de 4CV en de befaamde Renault 8 van de Gordini Cup waarbij alle deelnemers met dezelfde auto reden en voor een veel bescheidener budget aan competitie deden.
(Aangepast artikel van een video-interview met Jean-Louis Loubet, professor geschiedenis aan de universiteit van Evry en specialist van het merk)



Powered by creaxial   -   Privacybeleid